De planeten buiten de baan van Saturnus
23.1
bladzijde 1 van 12
Een eerste algemene verkenning
Niet meer in het persoonlijke veld
In het voorgaande leerden we de Maan en Saturnus kennen als de beheerders van het persoonlijke veld: De Maan omhult Aarde en mens en staat in het centrum van diens zieleveld (22.12), terwijl Saturnus op de buitenomtrek staat en dit veld afsluit. Ergens in dit veld bevindt zich het Ik. (22.20)
Wanneer we ons nu gaan bezighouden met de planeten buiten de baan van Saturnus, belanden we in een gebied dat boven, of onder dit persoonlijke veld ligt, dus boven of onder het gebied waar het Ik verblijft. Vanuit onze relatieve onbekendheid met het Ik (17.1) doen we er nu goed aan ons nader te oriënteren op dat ik en zijn "buiten-veld" achter Saturnus.
Menselijke factor
Al eerder zagen we dat de grens van Saturnus van een andere aard is dan die van de Maan (19.1). Immers Saturnus omvat niet alleen de Aarde en de mens (zoals de Maan), maar begrenst het hele veld van de antieke planeten en sluit dit af voor de daarbuiten liggende krachten. En terwijl de Maan fysiek zijn snelle rondjes rond de Aarde draait en zo, in die omloopbaan-zelf, de grens realiseert, daar stoelt de grensfunctie van Saturnus alleen maar op het beperkte gezichtsvermogen van de mens. De saturnale grens is dus geen astronomisch feit, zoals de satellietpositie van de Maan, maar is gerelateerd aan een biologisch menselijk (on-)vermogen. Zodoende is de aard van deze grens niet af te leiden uit het objectieve gegeven, zoals dat mogelijk was bij de beschermende semi-permeabele membraan van de Maan, die selectief kan doorlaten en tegenhouden (22.9). De saturnale grens betreft een door de mens veronderstelde barrière. Logischerwijze kan deze zich dan, wanneer hier inderdaad een grenswerking verondersteld wordt, alleen maar manifesteren binnen het veld van de menselijke ervaring (waarover later meer).
Functionele grens
De saturnale grens bestaat dus binnen de voorstelling van de beschouwer. Echter, hoewel de objectieve grond hiervoor niet aanwezig is, is deze grens in het menselijk verband wel functioneel. Want met een grens benoemt de grensbezitter zijn eigen persoonlijke reikwijdte en spankracht (16.1). Daarmee benoemt hij zijn ik-identificatie en geeft het voor hem geldende niet-Ik aan. (19.1) In deze grens-opstelling maakt de grensbezitter zichzelf kenbaar en benoemt daarin alles wat hij erkennen wil. Alles daarbuiten is hem onbekend, of voor hem onacceptabel. De individuele wil is hierin een factor van betekenis.
Tegelijkertijd is het daarmee evident dat de grens van het saturnale Ik, zodra dit zich tot een punt weet te verzamelen en zich daarin onpersoonlijk opstelt (13.8), weldegelijk passeerbaar is. (3.1) Daartoe moet het dan wel een nieuwe verhouding vinden tot zichzelf en tot de werkelijkheid van het niet-Ik. (16.2)
Grensbewustzijn
Echter, zolang het Ik zich in zijn grensbeheer onverzettelijk handhaaft, doen de krachten in het veld van het niet-ik zich noodzakelijkerwijs voor als (voor het Ik) oncontroleerbare factoren. Vanuit die positie kunnen zij naar het Ik, niet anders functioneren dan als tegenspelers: Zij zijn door het Ik aan de tegenkant, aan de overkant geplaatst. Vanaf die plaats kunnen zij zich dan op twee manieren naar ons uiten: Als eerste in een reus-achtige, uitvergrote vorm van één van de (voor het Ik) bekende, antieke planeten en als tweede in een binnenste-buiten vorm, of te wel een occulte editie van één van die antieke planeten. Ten opzichte van deze beide verschijningsvormen van het Niet-Zelf is de inbreng van het Ik dan anders: het staat niet zozeer buitenspel, maar wordt geconfronteerd met een ompoling van de machtsverhoudingen (17.3).
Grens en identiteit
Bij de planeten buiten de baan van Saturnus gaat het dus om iets dat achter die territoriale grens blijkt te leven. Gezien de eigen grens-stelling, grens-controle en de daaraan verbonden eigen macht van het Ik (*), gaat het bij deze overgang dus om de vraag naar onze dieperliggende identiteit ten opzichte van de zelf-veronderstelde, zelf-ingestelde, voorlopige opvatting omtrent onszelf. Middels de planeten buiten de baan van Saturnus wordt nu vanuit dat "buiten-veld" deze ik-kwestie aan ons voorgelegd. Willen we nu meer zicht krijgen op de relatie tussen de werkelijkheidsdsopvatting van het kleine-Ik en de oncontroleerbare werkelijkheid daarbuiten, dan gaan we denken in meerdere dimensies tegelijk. Hiervoor lijkt het goed om eerst eens bij andere kennisgebieden (net als in de teksten 17 en 20) ons licht op te steken.
literatuurlijst, onderwerpen per pagina, woordenlijst, afbeeldingen,